Visiebouwstenen rondom krimp
Zoek
Log in assesment center

Visiebouwstenen rondom krimp

 

Krimp raakt alle beleidsdomeinen en vraagt om een lange termijnvisie en strategisch handelen vanuit een integraal kader. Met een strategisch krimpplan wil Leeuwendaal VOS/ABB u een handreiking geven hiermee aan de slag te gaan. In dit artikel een overzicht van de belangrijkste visiebouwstenen. Waar krijgt u allemaal mee te maken in een situatie van bevolkingskrimp? 
 
  1. De bestuurlijke schaal
Over het algemeen wordt aangenomen dat een bestuurlijke schaal van tussen de 3000 en 4000 leerlingen voldoende basis vormt om te bouwen aan een gezonde organisatie. Inmiddels hebben vele gemeenten hun openbare scholen verzelfstandigd in een stichting voor openbaar onderwijs of een samenwerkingsstichting. Daarnaast hebben ook al fusies plaatsgevonden om tot een gewenste schaalgrootte te komen. In Nederland zijn er ook nogal wat eenpitters (rond de 600).
Mocht u besluiten om een samenwerkingsstichting op te richten door fusie, dan heeft dit onder meer gevolgen voor de aanstellingen van uw (openbare) personeel.
 
  1. Bestuur en management
Door de Wet goed bestuur, goed onderwijs, die per 1 augustus 2010 van kracht is geworden, overwegen veel (klassieke) besturen over te stappen op het model raad van toezicht, waarbinnen bestuur en toezicht organiek gescheiden zijn.
Vanwege uw schaalgrootte zult u zich ook afvragen of iedere school nog wel een eigen directeur kan hebben of dat u moet gaan clusteren of andere modellen van aansturing wilt overwegen.
 
  1. De schoolgrootte in relatie tot de menselijke maat
U dient zich af te vragen welke schoolgrootte gewenst is om de kwaliteit te bieden die u nastreeft. De vraag is ook gerechtvaardigd welke prijs u wilt betalen voor de gewenste kwaliteit. Een school met 150 tot 250 leerlingen heeft qua faciliteiten natuurlijk andere mogelijkheden dan een van 25 tot 100!
Vaak is het onderwijs in dorpgemeenschappen nog erg verzuild, hetgeen versnippering van faciliteiten betekent. Krachtenbundeling en fusie op lokaal niveau kan hier uitkomst bieden.
Dit betekent dan wel vaak dat u bovennominatief zult moeten denken en dat u uw eigen identiteit dient te borgen binnen de fusieschool. Dit zal de nodige aandacht vragen bij de lokale bevolking en bij zittende ouders.
 
Het in stand houden van dislocaties en/of nevenvestigingen is een dure zaak, omdat bepaalde componenten in de bekostiging niet doorwerken. Een dislocatie bestaat voor het ministerie zelfs niet eens!
Op dit moment ontvangen kleine scholen een zogenaamde kleinescholentoeslag, hoe kleiner de school, hoe meer geld men krijgt. Dit is op den duur onhoudbaar. Daar waar het aantal leerlingen en daarmee de inkomsten afnemen, blijven de uitgaven nagenoeg gelijk (remanenzkosten).
 
  1. Brede school of integraal kindcentrum:
Zowel het opzetten van een brede school in samenwerking met allerlei andere scholen en organisaties voor voor-, tussenschoolse- en naschoolse opvang, cultuur en sport, als het opzetten van een integraal kindcentrum, kan kansen en mogelijkheden bieden voor een lokale voorziening voor onderwijs en opvang. Het IKC biedt opvang van 0 tot 12 jaar vanuit een gezamenlijke pedagogische visie.
Bundeling van activiteiten in een gebouw of campus kan uw gemeenschap weer interessant maken voor jonge ouders.
De leerlingenprognoses geven u een redelijk beeld van het aantal 0 t/m 4 jarigen dat u in een bepaald gebied kunt verwachten.
 
  1. Personeelsbeleid in relatie tot werkgelegenheid
Binnen de CAO-PO kunt u kiezen voor werkgelegenheidsbeleid in plaats van het vaak vigerende ontslagbeleid. Binnen het ontslagbeleid is het ‘last in- first out” principe van kracht, waardoor jonge leraren vaak als eerste afvloeien bij krimp.
Binnen werkgelegenheid kan ontslag plaatsvinden binnen diverse leeftijdscohorten.
Wel moet u zich bewust zijn van het feit dat het doel van werkgelegenheidsbeleid is zoveel mogelijk ook de werkgelegenheid te behouden en dat gedwongen ontslag gepaard gaat met een sociaal plan dat  vastgesteld wordt in het DGO (Decentraal Georganiseerd Overleg) met de vakbonden. Een en ander vraagt om investering in geld en tijd.
 
  1. Het afstandscriterium in relatie tot vervoer
Ouders zien hun kinderen meestal liefst naar school gaan in hun eigen buurt of wijk.
Het afstandscriterium blijkt dan ook een belangrijk criterium om voor een school te kiezen.
Slechts kleine groepen ouders zijn bereid grotere afstanden af te leggen om een school met een specifiek onderwijskundig profiel of denominatie te bezoeken.
In het buitenland (denk aan Denemarken en Zweden) is het heel gewoon dat kinderen dagelijks met de bus van het platteland naar de stad reizen om daar onderwijs te volgen. In Nederland geldt dit slechts voor specifieke rugzakleerlingen en geloofsovertuigingen.
 
Hoe groot de afstand naar de dichtstbijzijnde onderwijs- en opvangvoorziening mag zijn, zult u samen met de ouders moeten bepalen. Het vervoer is in Nederland ook voor hun rekening.
Het kan helpen de situaties in het buitenland te schetsen, teneinde de mindset bij ouders te wijzigen.
Een van de adviezen van de SER is hiertoe samen met lokale organisaties oplossingen te zoeken.
 
  1. Denominatie en identiteit
Uw kind kan in Nederland vaak kiezen uit een openbare, een christelijke of een rooms-katholieke school. Bij  krimp is het zeer de vraag of deze keuzes er in de toekomst ook zullen zijn. Steeds meer zien we (hoewel de wet dit eigenlijk nog niet toestaat) samenwerkingsscholen, die bestuurlijk aan een bepaalde stichting verbonden zijn met behoud van ieders identiteit. Ook zijn er nog de algemeen bijzondere, de bijzonder neutrale en interconfessionele scholen.
 
De denominatieve verdeling van leerlingen in een bepaald gebied zegt overigens niet altijd iets over de werkelijke beleving en uiting van de identiteit binnen de scholen. Veel scholen hanteren een open aannamebeleid en zijn daarmee in feite een ontmoetingsschool.
 
Onder bepaalde voorwaarden zullen samenwerkingsscholen in de nabije toekomst bij wet mogelijk zijn. Dit is een van de manieren om schaalvergroting en bundeling van krachten te realiseren daar waar scholen met opheffing worden bedreigd. Het gevolg zal zijn dat het aantal brinnummers afneemt. Soms vindt uitruil van scholen plaats. Het zijn voor u zaken ter overweging.
 
  1. Conceptueel denken
Veel scholen in Nederland voeren een onderwijskundig concept om zich vanuit concurrentie-overwegingen te kunnen onderscheiden van anderen. Vaak zijn dit traditionele vernieuwingsscholen als Dalton, Montessori en Jenaplan. Daarnaast zijn er concepten die zich richten op de culturele of sportieve vorming van kinderen. Ook digitale scholen en allerlei andere profielen worden opgezet. Het zal een kunst zijn bij fusie tot een gezamenlijk gedragen profiel te komen.
 
  1. Ouderbetrokkenheid en zeggenschap
Uw klanten zijn de ouders van de kinderen die uw school bevolken.
Het aantal klanten bepaalt of een bedrijf gezond kan zijn, dat geldt ook voor een school.
Te kleine scholen zijn vooral wat de materiële instandhouding betreft moeilijk rendabel te maken en vragen om grote investeringen nauwelijks op te brengen zijn, omdat de financiering gebaseerd is op leerlingenaantallen.
U zult aan de ouders van uw leerlingen duidelijk moeten maken hoe u de toekomst ziet en draagvlak moeten zoeken voor uw visie. Immers als u hen niet kunt overtuigen, kunnen zij dreigen weg te lopen. Dit geeft aan dat samenwerking op lokaal niveau cruciaal is.
Via de WMS hebben ouders (en leraren) natuurlijk instemmings- en adviesrecht op diverse zaken.
 
  1. De lokale en provinciale overheid
Uw gemeentebestuur is een belangrijke gesprekspartner en soms is dit ook nog uw (integrale) schoolbestuur. Bij het fuseren en opheffen van scholen heeft uw gemeenteraad een belangrijke rol, sterker nog, alleen de gemeenteraad kan besluiten een openbare school op te heffen.
Op provinciaal niveau is het van belang zaken te verkennen die genoemd zijn door de SER.
 
  1. Kwaliteit van onderwijs
U hebt vast een goed beeld van de kwaliteit die u met uw onderwijs nastreeft en bereikt. Deze dient aan te sluiten bij de kerndoelen en het toezichtskader van de Inspectie.
Heterogene groepen vragen veel van de leerkracht, maar binnen kleine groepen is ook de sociale context anders. Onderzoek door de Inspectie geeft aan dat leerlingen op veel kleine scholen op de CITO- eindtoets gemiddeld lager scoren. Natuurlijk is niet alleen de uitkomst van de CITO-eindtoets van belang, maar vooral ook het rendement dat uw onderwijs oplevert.
 
U ziet dat er nogal wat overwegingen te maken zijn. Per bestuur zal de context en zullen de overwegingen anders zijn. Hoe ziet uw toekomst eruit en hoe wilt u het onderwijs inrichten? Leeuwendaal VOS/ABB kan u daarbij helpen.

 

Meer weten?

Neem gerust contact op!

Geke Lexmond - de Roo

Manager Onderwijsadviseurs

Bel 06 20 51 66 10 of e-mail naar

glexmond@leeuwendaalvosabb.nl

Deze Communit-E is uitsluitend toegankelijk voor daartoe geautoriseerde gebruikers. Degene die gebruik maakt van deze Communit-E of de daarin opgenomen gegevens zonder dat daartoe door de eigenaar een schriftelijk gebruiksrecht is verleend, handelt onrechtmatig en kan door de eigenaar in rechte worden vervolgd.

Uitloggen